VERF-BEHANG.NL

VERF-BEHANG

Onder brandpreventie verstaat men het nemen van maatregelen om het ontstaan van een brand zoveel mogelijk te voorkomen.
Brandpreventie kan betekenen dat gebruikte materialen met zorg worden gekozen, maar ook middelen die een beginnende brand stoppen, en goede vluchtmogelijkheden vallen onder brandpreventie. De rook van een brand kan soms nog meer problemen opleveren dan het vuur van de brand, daarom dient ook daar op gelet te worden.




Inhoud


1 Bouwmaterialen
2 Brandcompartimentering

2.1 Specifieke bouwmaterialen


3 Gifgassen
4 Stoffering
5 Apparatuur

5.1 Meer brandgevaarlijke apparaten/situaties


6 Vuur
7 Werkzaamheden
8 Detectie en blusmiddelen
9 Weten wat te doen
10 Kort brandprotocol
11 Zie ook
12 Externe links





//


Bouwmaterialen
De materialen waarmee een woning of een kantoor wordt gebouwd bepalen in sterke mate de brandveiligheid. In de praktijk is dat verschil een stuk kleiner, omdat vaak later brandbare materialen worden toegevoegd, zoals verf, behang, betimmering, etc. Daarom kan zelfs een betonnen gebouw of een metalen schuur branden.
Bepaalde materialen kunnen giftige gassen afgeven bij brand. Een voorbeeld hiervan zijn plastic panelen. Van dergelijke materialen is vaak ook een (duurdere) soort te koop, die veel minder giftige gassen afgeeft.


Brandcompartimentering
Volgens het brandbeveiligingsconcept van het Nederlandse Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) uit omstreeks 1990 en het Bouwbesluit is het belangrijkste element om uitbreiding van de brand te voorkomen: het brandcompartiment. Een brandcompartiment is een deel van het gebouw met als eigenschap dat een brand die in dat compartiment ontstaat, gedurende een bepaalde periode (afhankelijk van het type gebouw), maar minimaal 20 minuten binnen dat compartiment blijft. Diegenen die zich in het compartiment bevinden waarin de brand ontstaat, moeten in staat zijn binnen een halve minuut een veilige ruimte te bereiken. Na een halve minuut neemt het gevaar op verstikking door de rook heel snel toe.
Een veilige vluchtroute wordt gerealiseerd door een verdere indeling in rookcompartimenten. Door die rookcompartimenten moeten zij het gebouw veilig kunnen verlaten.
In het bouwbesluit (bouwregelgeving) is brandcompartimentering een belangrijk onderdeel. Hierbij wordt uitgegaan van het beheersbaar houden van een eventuele brand. De maximale oppervlakte van een brandcompartiment wordt bij (de meeste) nieuw te bouwen gebouwen gesteld op 1000 m² (er zijn mogelijkheden om grotere ruimten te maken door een of meerdere gelijkwaardige oplossingen) Een bouwwerk wordt onderverdeeld in brandcompartimenten door middel van constructies welke een weerstand hebben tegen brand (WBDBO, weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag). Dit houdt in dat de constructie ervoor zorgt dat een brand voor een bepaalde periode binnen één compartiment blijft. Eventueel aanwezige deuren in deze constructies moeten zelfsluitend zijn en ook brandwerend.

Specifieke bouwmaterialen

Branddeuren
Brandkleppen
Brandmanchet
Brandbeschermende materialen (coatings, platen)


Gifgassen
Gifgas komt altijd voor in een brand. Behalve CO (koolmonoxide) dat zeer giftig en niet te ruiken is, kunnen er gassen voorkomen die de longen verbranden, zoals: Waterstofchloride (HCl) en Blauwzuurgas (HCN). Deze gassen zijn uiterst giftig en dodelijk. De meeste slachtoffers komen daarom niet om door het vuur, maar door rookgasvergiftiging. Bij brand is het dus niet zo, dat er sprake is "rook", zoals heel vaak wordt gedacht. De gassen die vrijkomen tijdens een verbrandingsproces zijn, gloeiend heet, sommigen uiterst explosief en zeer giftig. Waterstofchloride verbrandt de longen en als er grote hoeveelheden worden ingeademd kan de verbranding zo intens zijn, dat de longen reageren met grote hoeveelheid lichaamsvloeistof aan te trekken. Men verdrinkt dus letterlijk in zijn eigen lichaamsvloeistof. Daarom is het ook zo gevaarlijk om zonder adembescherming een brandend pand binnen te gaan. Alleen gekwalificeerd personeel met adembescherming (zoals de Brandweer) mag dan nog (onder bepaalde condities) een brandend pand binnen gaan.

Stoffering
De vloerbedekking, raambekleding en meubilair kunnen een beginnende brand aanwakkeren. Met name het polyetherschuim dat bijvoorbeeld in matrassen, bankstellen en fauteuils gebruikt wordt kan bij brand zeer veel dichte rook veroorzaken.

Apparatuur
Apparatuur die veel stroom gebruikt (wasmachine, wasdroger) hebben een grotere kans op het veroorzaken van brand. Maar ook televisies kunnen brand veroorzaken. In een televisie zitten vaak elektronische onderdelen, die direct contact maken met het lichtnet. Door stof en vettige neerslag binnenin de televisie kan er een stroom gaan lopen die warmteontwikkeling geeft. Daarom kan een televisie beter met de schakelaar uitgezet worden, i.p.v. het op de Standby te laten staan. Ook een strijkijzer kan brand veroorzaken, maar daarbij is het meestal onbedachtzaamheid van de gebruiker, door bijvoorbeeld het strijkijzer op de kleding te laten staan wanneer de telefoon gaat.

Meer brandgevaarlijke apparaten/situaties
De volgende apparaten of situaties kunnen brandgevaarlijk zijn:

Halogeenverlichting die te dicht bij gordijnen is opgesteld.
Het filter van de afzuigkap dat door het vet vlam kan vatten na vlam-in-de-pan.
Broodroosters (moeten regelmatig schoongemaakt worden)
Stofzuigfilters.
Haarföhn (haren, en vooral stof dat kan ontbranden)
Frituurpan; het gebruik van een frituurpan met een defecte thermostaat is bijzonder gevaarlijk
Het gebruiken van een gewone pan als frituurpan waarin olie wordt verhit. Komt de temperatuur boven de 320 graden Celsius, dan zal olie of vet spontaan in brand vliegen.
Kaarsen en ander open vuur
Wasdrogers die niet regelmatig (gemiddeld na 1 à 2 droogbeurten) zijn gereinigd. Brand in wasdrogers ontstaan vaak doordat deze apparaten niet voldoende worden schoongemaakt.
Computers die in stand-by stand staan (gewoon uitdoen is beter en goedkoper)
Televisieapparaten die in de stand-by stand staan.
Oprolbare snoeren in haspels. Men dient de haspel bij gebruik volledig uit te rollen. Er zijn haspelsnoeren in de handel met een warmtebeveiliging. Wanneer oprolbare snoeren niet uitgerold worden is er kans op brand.
Stroomkabels die onder tapijten zijn gelegd.
Nachtlampjes of lampen die zijn afgedekt met doeken of doekjes
Roken in bed/bank of stoel als men gaat slapen
Oude doeken die gedrenkt zijn in olie en schildersolie als deze niet goed zijn gelucht en als een bal zijn weggepropt.


Vuur
Om brand te voorkomen moet bij een open haard voorzichtig gehandeld worden. Een vonkenscherm voorkomt dat vonken de kamer inspringen. Het is belangrijk dat de schoorsteen regelmatig (minstens één keer per jaar wordt geveegd. Een sigaret kan gevaar opleveren, vooral als iemand in bed rookt en daarbij in slaap valt. Ook kaarsen die voor een raam staan, moeten ver van de gordijnen en vitrage geplaatst worden.

Werkzaamheden
Werkzaamheden waarbij brandbare stoffen in aanraking komen met vonken of vlammen hebben een verhoogd risico. Bijvoorbeeld het repareren van bitumineuze daken met een gasbrander is brandgevaarlijk. De bitumineuze dakbedekking wordt zacht gemaakt door een vlam, maar het materiaal zelf is ook brandbaar. Daar komt bij dat bij fel zonlicht soms slecht te zien is of het materiaal vlam gevat heeft. Het is daarom noodzakelijk om altijd twee poederblussers (ABC-blussers) van ongeveer 5 kilogram bij zich te hebben. Als er onverhoopt brand uitbreekt, moet er EERST de brandweer gealarmeerd worden. Daarna dient iedereen de omgeving direct te verlaten. Pas DAN kan een bluspoging worden gewaagd. Lukt de bluspoging niet, dan is het wachten slecht op de brandweer die meestal rond de 10 minuten ter plaatste is. Wacht men te lang met alarmeren en woedt de brand verder, dan is de kans zeer groot dat de brand oncontroleerbaar wordt.
Bij werkzaamheden aan het groot dak met een brander er altijd voor zorgen dat men via twee plaatsen het dak kan verlaten via een ladder. Dit om te voorkomen dat een brand een vluchtweg afsnijdt en men niet meer het dak afkan. Hoe meer vluchtwegen aanwezig zijn, hoe kleiner de kans door brand ingesloten te worden.

Detectie en blusmiddelen

Blusdeken
Brandslang
Brandblusser
Rookmelder
Sprinklerinstallatie


Weten wat te doen
Volgens de internetencyclopedie VERF-BEHANG.NL, dient men bij brand het volgende te doen:

Bel bij brand het alarmnummer. In Nederland is dat 1-1-2. Kinderen kunnen al vroeg geleerd worden om bij gevaar het alarmnummer te bellen.
Kinderen (die niet beseffen wat brand is) kruipen soms onder bed in plaats van te vluchten.
Kijk bij het verlaten van een brandend pand of iedereen gewaarschuwd is en help elkaar.
Bij veel rook is dicht bij de grond de minste rook aanwezig.
Als er weinig rook is, kunnen er toch giftige gassen aanwezig zijn.
Bij binnenkomst in een ruimte waar veel mensen samenkomen, kan men eerst kijken waar de nooduitgangen zijn. Mensen hebben de neiging om bij brand (en rook) dezelfde weg terug te gaan vanwaar men gekomen is, maar dat is niet altijd de beste manier.
Kleding van kunststof kan smelten en brandwonden veroorzaken. Bij natuurlijke materialen zoals wol, katoen (spijkergoed), linnen of leer treedt dat niet op. Vooral wol staat bekend om zijn brandvertragende eigenschappen.
Een deur openen van een ruimte waar brand is kan gevaarlijk zijn. Als er weinig zuurstof in die ruimte is, kan verse aanvoer van zuurstof tot een steekvlam en oplaaien van de brand leiden. Door eerst aan de deur of de deurknop te voelen of deze warm is, kan gevoeld worden of er een brand is.
Hou rekening met een mogelijke flash over, bij zelfs een kleine brand ontstaat er een brandbaar gas dat een explosief mengsel vormt met de aanwezige zuurstof en op een onverwacht ogenblik explodeert dit gas en is de ruimte één vlammenzee. Een kleine brand kan aldus ontaarden tot een ware ramp.
Als zelf geprobeerd wordt om de brand met water te blussen, zet dan eerst de stroom uit. De eigen veiligheid komt op de eerste plaats.


Kort brandprotocol

Alarmeer de brandweer (In Nederland is de brandweer te bereiken via telefoonnummer 112)
Ontruim het gebouw
Blus de beginbrand

Zorg er altijd voor dat eerst de brandweer wordt gealarmeerd. Anders is de kans groot bij een falende bluspoging dat er alsnog gebeld moet worden en daardoor de beginbrand helemaal oncontroleerbaar wordt. Als tweede stap moet men altijd overgaan tot ontruiming. Bij een beginbrand heeft men maar enkele minuten tijd, aangezien de rook en gifgassen direct in een gebouw terecht komen en er gevaar ontstaat van rookgasvergiftiging. Als laatste moet men proberen een brandje te blussen. Faalt dit, dan direct het gebouw uit en op de aankomst van de brandweer wachten. Het bovenstaande protocol is door iedereen makkelijk uit het hoofd te leren en je hebt verder geen andere extra plannen nodig. De volgorde (bij het ontdekken van brand) is heel belangrijk. Zou men namelijk niet als eerste alarmeren, dan duurt het te lang voordat de brandweer arriveert. Zelfs bij een beginbrandje is het absoluut noodzakelijk dat binnen 10 minuten twee Tankautospuiten (met elk 2000 liter blusstof aan boord) voor het pand staan. Het is namelijk bekend dat een klein begin brandje in 2,5 tot 10 minuten kan uitgroeien tot een catastrofale brand in een huis of woning. Wanneer de vlammen na 10 minuten al uit het dak slaan, kan de brandweer nog maar weinig doen om het vuur uit te maken.

Zie ook

Inbraakpreventie
Brandwond

Deze domeinnaam kopen of huren? geef hier uw bod